It is currently 11 Dec 2017, 12:19

De koning versus de regering.

Moderators: Baracchini, Francesco Baracca

De koning versus de regering.

Postby Francesco Baracca » 11 Oct 2009, 19:08

5 januari 1944: Leopold III schrijft zijn politieke testament.
Na de Belgische capitulatie beschuldigde Pierlot,via de Franse radio,Leopold ervan tegen het eenparige advies van zijn regering in onderhandelingen met de vijand te hebben aangeknoopt,wat onjuist was. Toen de regering de 31e mei 1940 aan de Belgische parlementsleden in Limoges verslag uitbracht,werd ook harde taal gesproken over de koning. Sommige parlementsleden wilden Leopold zelfs vervallen van de troon verklaren.
De beschuldigingen van Pierlot zijn Leopold zeer zwaar en zeer lang op de maag blijven liggen. Vergevingsgezind en soepel was Leopold III zeker niet,wél wrokkig en koppig.
Na de Franse capitulatie de 18e juni 1940 blies Leopold alle bruggen met de regering op en zou hij haar nooit meer als zijn regering erkennen.

Tevergeefs.
Sinds die Franse capitulatie was de regering Pierlot bereid ontslag te nemen. Zij gebruikte alle beschikbare diplomatieke kanalen om zowel Laken als Berlijn duidelijk te maken dat zij een vredesverdrag met Duitsland wenste en dat de ministers graag als privé-personen naar België zouden terugkeren. Ook had de regering de koning gevraagd twee ministers te ontvangen. Maar alle stappen waren vergeefs. De 4e juli 1940 zei kabinetschef Frédéricq in Brussel zelfs aan regeringsgezantBerryer dat de koning geen polotieke daden verrichtte en geen politicy ontving,hoewel hij bijna dagelijks de socialistische politicus Hendrik De Man ontmoette en aan de liberaal Lippens en de katholiek Tschoffen audiëntie toestond.
Frédéricq meende dat de terugkeer van "Pierlot en consoorten" niet aangewezen was. De regering leidde in de ogen van de koning slechts een theoretisch bestaan,daar zij niet meer over een mandaat van de bevolking,noch van de koning beschikte. Voor Frédéricq bestond de regering eenvoudigweg niet en evenmin voor Hitler,want deze verbood midden juli 1940 zelfs de Belgische regering naar België terug te keren. Wat kon de koning dan met een regering aanvangen,die voor Hitler zelfs niet meer bestond?
Hoewel Leopold niet met de regering wilde praten,deed hij dat wél met Hitler,de 19e november 1940.
Ondertussen kwam er in augustus 1940 nog een toenaderingspoging van de regering. Pierlot vroeg de industrieel Georges Hannecart de volgende vragen aan de koning voor te leggen: diende de regering ontslag te nemen,als privé-personen in Frankrijk te blijven of moest men naar Engeland vertrekken om er de strijd aan de zijde van de Britten voort te zetten? Hannecart raakte slechts tot bij generaal Tilkens,hoofd van het Militair Huis van de koning,en niet tot bij de koning zelf. Men mad er ongetwijfeld van uitgaan dat de koning geweigerd heeft Hannecart te ontvangen,omdat hij deze regering niet meer erkende en Hitler niet voor het hoofd wilde stoten.
De 23e augustus 1940 deelde Hannecart het ontgoochelende resultaat van zijn opdracht mede: de koning kon - lees:wilde - zich niet uitspreken over de vraag wat de regering te doen stond. Volgens zijn secretaris Capelle wenste de koning geen advies te verstrekken omdat hij toen in de Duitse overwinning geloofde en voortzetting van de strijd aan de zijde van Engeland bijgevolg zinloos vond.

Onverzettelijke houding.
De hele bezetting door bleef Leopold vasthouden aan die onverzettelijke houding tegenover de regering in Londen. Zo gaf hij begin september 1940 de koningsgezinde graaf d'Ursel,de Belgische gevolmachtigde minister in Bern,richtlijnen met het verzoek deze aan de Belgische diplomatieke vertegenwoordigers door te sturen. Hierin stelde hij dat België sedert 28 mei 1940 niet meer in oorlog was met Duitsland,dat de ministers die de oorlog wilden voortzetten tegen 's lands belang in handelden en dat Congo absoluut neutraal moest blijven. Dit wekte de verontwwardiging van het Hof om de "politiek van Laken" bij de Belgische diplomaten ingang te doen vinden.
In november 1943 kreeg de koning een lange brief van de regering,waarin zij de hoop uitsprak dat de koning opnieuw zijn functie zou opnemen zodra hij vrij was. Zij vroeg dat hij bij die gelegenheid een verklaring met de volgende punten tot de bevolking zou richten: België is steeds met Duitsland in oorlog geweest en zal Duitsland en Japan tot de eindoverwinning blijven bestrijden;België zal in nauwe samenwerking met de geallieerden aan de politieke en economische wederopbouw van de wereld meehelpen;de collaborateurs zullen een rechtvaardige straf krijgen;de orde in België ezal in eerbied voor de grondwet hersteld worden.
Het antwoord van de koning op deze blijk van verzoening was opnieuw een koude douche en een verwijt aan de regering. Enkel inzake het laatste punt antwoordde Leopold dat hij steeds de grondwet had geëerbiedigd en dat ook in de toekomst zou doen. Voor de drie andere punten gold "de politiek van de stilte".
Na de bevrijding kreeg de regering een nota van de koning,die onder de benaming "politiek testament" de geschiedenis is ingegaan.
De koning wist sedert 1943 dat de Duitsers hem bij de geallieerde landing in het Westen naar Duitsland zouden wegvoeren,wat de 7e juni 1944,daags na de landing in Normandië,ook is gebeurd. Leopold ondertekende zijn testament de 25e januari 1944 en vertrouwde het toe aan hoge magistraten,opdat deze de tekst zouden overhandigen aan de regering bij haar terugkeer in België.
Deze tekst moet voor de regering,die pas uit Londen was teruggekomen en die door de bevolking niet bepaald hartelijk was verwelkomd,als een kaakslag zijn overgekomen. Het document belichtte de regelrechte tegenstelling tussen de politiek van de koning en deze van de regering uiterst scherp. De paragraaf waarin de koning eiste dat de ministers in het openbaar vergiffenis moesten vragen voor de radiotoespraak van Pierlot van 28 mei 1940 kwam zeer hard aan. Een late wraak van een koppige,onverzoenbare vorst.
Het was ondenkbaar dat de regering daar toen nog op in zou gaan. Het was veeleer verwonderlijk dat de koning nog zo een eis durfde te stellen,nadat hij door zijn huwelijk de Belgische wetten met de voeten had getreden en nadat hij bij Hitler in de eerste plaats was gaan pleiten voor het behoud van zijn troon bij een Duitse eindoverwinning,waarin hij blijkbaar sterk geloofd moet hebben.
Maar ook de volgende paragraaf over de buitenlandse en koloniale politiek moet bij de regering en de geallieerden,voor wie het document eveneens bestemd was,de haren ten berge hebben doen rijzen. Tegenover de geallieerden eiste Leopold,dat België opnieuw zelfstandig zou worden,terwijl hij in november 1940 gevraagd had dat Duitsland ten minste de binnenlandse zelfstandigheid van België zou waarborgen.
Verder was er geen enkel woord van erkentelijkheid voor de geallieerden,terwijl toen toch al vele geallieerde soldaten voor de bevrijding waren gesneuveld. En dat was volkomen in strijd met de sympathie en de dankbaarheid die de grote meerderheid van de Belgen voor de geallieerden koesterde.
Er was evenmin een woord van dank voor het verzet,dat nochtans ook een zware tol had betaald. Het verzet heeft trouwens verscheidene,vruchteloze pogingen ondernomen om de koning nog tijdig uit het paleis van Laken te ontvoeren en hem te doen onderduiken.
Maar zijn politieke testament bleef koning Leopold de verkeerde beslissingen en onhandigheden opstapelen. Hieruit blijkt dat hij tijdens de oorlog niet op twee paarden heeft gewed,maar integendeel steeds één en dezelfde rechtlijnige houding heeft aangenomen die hem recht naar de troonafstand heeft gevoerd,want een koning die de gevoelens van zijn bevolking niet of verkeerd vertolkt is uiteindelijk gedoemd om van de troon te verdwijnen.
NEC JACTANTIA NEC METU ("zonder woorden, zonder vrees")

Avatar: Francesco Baracca, Italiaanse aas uit Wereldoorlog I

2013:Canadian Citizen’s Memorial Campaign in Sicily.
User avatar
Francesco Baracca
Generaal
Generaal
 
Posts: 254
Joined: 09.2009
Location: Laarne
Gender: Male

Re: De koning versus de regering.

Postby Francesco Baracca » 11 Oct 2009, 19:09

De tekst van koning Leopold's politieke testament:

MEMORANDUM, GESCHREVEN OM PERSOONLIJK

EN VERTROUWELIJK AAN DE HEER PIERLOT TE WORDEN OVERHANDIGD,

VOLTOOID OP 25 JANUARI 1944
We zijn in het zesde oorlogsjaar aanbeland. Niets laat ons toe met zekerheid te stellen dat het staken van de vijandelijkheden in Europa of de bevrijding van ons grondgebied dichtbij zijn. Maar een zodanige wending van de gebeurtenissen, die een plotselinge wijziging van het bezettingsregime in België met zich zou brengen, is in de toekomst mogelijk.
Op 29 mei 1940 werd ik, op bevel van de Führer Kanselier van het Reich, van Brugge naar het kasteel van Laken overgebracht. Dat werd mijn verplichte verblijfplaats, ondanks mijn uitdrukkelijke wens om het lot van mijn leger te delen.

Het is niet uitgesloten dat de Duitse overheid mij om militaire of politieke redenen een nieuwe verblijfplaats oplegt en ditmaal buiten het koninkrijk.

Ik vind het belangrijk dat het land, in de misschien lange tussentijd tussen zijn bevrijding en mijn terugkeer uit gevangenschap, in die beslissende dagen niet verstoken zou blijven van adviezen van mijn kant over aangelegenheden van het allergrootste belang.

Dat is de reden waarom ik hier, ten gerieve van hen die de macht tijdelijk zouden uitoefenen, mijn aanbevelingen op papier zet betreffende het te volgen beleid in het hoger belang van de natie.

Om alle vooroordelen en twijfels weg te nemen, meen ik dat het nuttig is om vooraf kort uiteen te zetten welke mijn houding is geweest sedert mei 1940.

1. Vooreerst heb ik op 25 mei geoordeeld - en ik ben inmiddels nooit van gedacht veranderd - dat het strijdig geweest ware met het belang van het land als ik met de ministers naar het buitenland zou zijn vertrokken.

Het leger in de steek laten voordat de strijd beëindigd was, zou een militaire fout zijn geweest, want elke weerstand zou ogenblikkelijk zijn gestaakt.

Vluchten op het moment dat de wapens werden neergelegd, leek mij een daad die strijdig was met de eer van een legeraanvoerder.

Mijn aanwezigheid in het buitenland zonder militaire macht van betekenis, zou een louter symbolische waarde hebben gehad. Daartoe volstonden enkele ministers.

Maar, eens het grondgebied zich in de macht van de aanvaller bevond, was het belangrijk dat het staatshoofd het land slechts verliet, weggevoerd door de overwinnaar. Zijn aanwezigheid was des te noodzakelijker omdat de eenheid van het land was bedreigd door ernstig plichtsverzuim dat plotseling aan het licht was gekomen en omdat als gevolg van een noodlottige verstandsverbijstering, de meeste gezagsdragers waren gevlucht en te veel overheden hun post hadden verlaten.

Op een moment waarop de bondgenoten waren uitgeteld door een verschrikkelijk onheil en de vijand was opgewonden door militaire successen zonder voorgaande, was het door de tegenspoed van mijn leger en van mijn volk te delen dat ik de onverbrekelijke eenheid van het vorstenhuis en van de Staat bevestigde en dat ik de belangen van het vaderland behoedde, welke ook de afloop van de oorlog zou zijn. De militaire eer, de waardigheid van de kroon en het belang van het land wezen in de dezelfde richting en maakten het mij onmogelijk om samen met de regering België te verlaten.

2. Ik heb het steeds als mijn opperste plicht beschouwd om met al mijn krachten bij te dragen tot het instandhouden van de nationale onafhankelijkheid. Net als al mijn voorgangers heb ik altijd de Grondwet nageleefd. In geen enkele omstandigheid heb ik overwogen om die te schenden. Ik neem een mogelijke herziening ervan slechts in overweging als het Belgische volk zijn wil daartoe vrij tot uitdrukking brengt.

De geruchten die de bedoeling hadden daarover twijfel te zaaien, zijn uit de lucht gegrepen en al wie ze heeft verspreid, heeft het vorstenhuis belasterd en een misdaad tegen België gepleegd.

Voor het overige heb ik me sedert 28 mei 1940 strikt gehouden aan mijn status van krijgsgevangene in handen van de vijand en heb ik geoordeeld dat het niet met de waardigheid van de kroon en met de belangen van het land strookte dat ik daar rechtstreeks of onrechtstreeks ooit van afweek.

Die afzijdigheid op het politieke vlak belette niet dat ik op het humanitaire vlak tussenkwam ten voordele van personen, groepen of zelfs de hele bevolking.

De genadeverzoeken, de vrijlating of op zijn minst de verlichting van het lot van onze krijgsgevangenen, de bevoorrading van de bevolking, daarvoor heb ik voortdurend aandacht gehad. Op dat vlak zijn mijn inspanningen gedeeltelijk met succes bekroond. Inzake de wegvoeringen en de financiële lasten stuitte ik spijtig genoeg op de weigering om terug te komen op de getroffen beslissingen.

Men heeft mij vaak verweten dat ik tussenbeide was gekomen op het administratieve vlak. Ik verklaar dat ik helemaal niets te maken had noch met de keuze noch met het beleid van de secretarissen-generaal, wie ze ook waren. Wel eis ik het initiatief op van de oprichting van de O.T.A.D.

Hiermee is dus voldoende licht geworpen op het verleden, laten we het nu hebben over de opdrachten voor de toekomst.

1. De verstandhouding tussen Vlamingen en Walen

De verstandhouding tussen Vlamingen en Walen zal de belangrijkste taak van de regering zijn. Het voortbestaan van een onafhankelijk België zal daarvan afhangen.

De historici zullen vaststellen dat België tussen 1914 en 1944 een vreselijke nationaliteitscrisis heeft meegemaakt.

Na een lange periode van ongelijkheden en onmiskenbare onrechtvaardigheden heeft ons Vlaamse volk, trots op zijn schitterend verleden en bewust van zijn mogelijkheden in de toekomst, besloten een einde te maken aan de pesterijen van een egoïstische en bekrompen leidende minderheid die weigerde zijn taal te spreken en deel te nemen aan het volksleven.

Het onbegrip van het parlement en de traagheid van de opeenvolgende regeringen om die rechtmatige verzuchtingen te voldoen, hebben de eisers verbitterd. Sommigen zijn ertoe gekomen om zich te willen afscheiden van de Walen en om België te vervloeken. Dit lokte een Waalse reactie uit en het zou gevaarlijk zijn de draagwijdte ervan te onderschatten.

Onder het voorwendsel van cultuur en van taal, hebben extremisten, al dan niet onder de bescherming van de bezetter, bewust gewerkt aan de vernietiging van de Belgische Staat – we hebben dat gezien en gehoord.

Anderzijds is onze publieke opinie – die slecht is voorgelicht en te gevoelig is voor de sentimentele verleidingen uit het buitenland – sedert 30 jaar geneigd om te geloven dat haar veiligheid in de eerste plaats afhangt van de gevoelens van genegenheid van het buitenland. Ze schijnt te vergeten dat het behoud van de nationale onafhankelijkheid voortvloeit uit en altijd en vooral zal voortvloeien uit de geografische ligging van het land, zijn natuurlijke rijkdommen, de werklust van zijn inwoners en hun wil om vrij te blijven.

De verkondiging van dit historisch vast gegeven moet het postulaat vormen dat elke internationale samenwerking voorafgaat en die laatste kan alleen worden opgevat op basis van een billijke wederkerigheid.

Omdat ze dezelfde belangen hadden, hebben Vlaanderen en Wallonië sedert heel lang een gemeenschappelijke lotsbestemming gehad en hebben ze een eenheid gevormd die ontembaar aan alle annexatiepogingen het hoofd heeft geboden. Nooit heeft hun eenheid een crisis beleefd die ook maar bij benadering zo erg was als die van de huidige generatie.

Ik hoop dat de hevigheid van de beroering die we nu beleven de ogen van de brave burgers heeft geopend voor sommige aspecten van de werkelijkheid waarvoor ze te weinig belangstelling hadden betoond. Ik hoop dat dit bij Vlamingen en Walen de wil zal hebben aangewakkerd om zich in een nieuw België opnieuw rond de nationale driekleur te scharen en dat zij, verenigd op volstrekt gelijke voet, België met eenzelfde liefde en ijver zullen dienen. Ik reken op het doorzicht van het Brusselse gemeentebestuur opdat de hoofdstad van het koninkrijk eindelijk zijn rol van taalkundig bindteken en bicultureel uitstralingscentrum zou spelen die het nationaal fatsoen hem voorschrijft.

2. De sociale reorganisatie

Deze wereldoorlog is de geboorte van een nieuwe wereld. Goedschiks of kwaadschiks ontwikkelt zich, in de staten die zich beroepen op tradities van vrijheid en individualisme net als in de staten die hebben gekozen voor een autoritair regime, een economische, organieke en sociale revolutie zonder weerga die wezenlijk dezelfde is – zij het dat ze gebeurt onder verschillende vlaggen en door gebruik van uiteenlopende middelen.

Ook al kan men noch het kader noch het eindpunt van die verandering bepalen, toch heeft men het recht te verklaren dat een onomkeerbare stroom alle samenlevingsvormen naar een volkomen nieuwe toekomst meevoert.

Het komt erop aan zich niet uit te sloven om in duigen vallende normen te handhaven. Men moet zich vastberaden aan de onvermijdelijke ontwikkeling aanpassen en België de economische en sociale onderbouw bezorgen die het de nodige sterkte en doelmatigheid geeft opdat het zijn bevolking een waardige en bevredigende levensstandaard kan verschaffen. Die bevolking leeft bijeengepakt op een klein grondgebied en wordt bedreigd door een buitenlandse concurrentie die scherper en oneindig machtiger is dan weleer.

Het individualisme en het economisch liberalisme waarvoor de negentiende eeuw de gouden tijd was, zullen willens nillens plaats ruimen voor een systeem dat meer gelijkheid nastreeft. Het zal de leiders toekomen erover te waken dat onze toekomstige sociale organisatie zal zijn doordrongen van en meer in overeenstemming zal zijn met de christelijke naastenliefde en de menselijke waardigheid.

Mijn rol van grondwettelijke vorst draagt me de taak niet op om een programma van verwezenlijkingen op te stellen noch om te kiezen voor of tegen een of andere leerstelling, maar ik zou in mijn opdracht tekortschieten als ik hier niet enkele beginselen ter overweging meegaf die alleen de uitdrukking zijn van de billijkheid.

Ik beschouw ruime sociale hervormingen als dringend, want de schandalige tegenstelling tussen de armoede waarmee de oorlog tot tweemaal toe de enen heeft overladen en de buitensporige winsten die de anderen zich hebben toegeëigend, stelt de onrechtvaardigheid in het licht van een egoïstisch en kwaadaardig regime, waaraan een einde moet komen.

Zodra het land is bevrijd, zullen de regeringen de plicht hebben het recht op arbeid en de plicht daartoe te bevestigen. Door de vaststelling van rechtvaardige lonen en de uitbreiding van de verplichte verzekeringen, moeten ze de arbeiders de waardigheid en de veiligheid bezorgen die zij in het verleden al te vaak hebben moeten ontberen.

De paritaire verbondenheid van de werkgevers- en werknemersorganisaties in beroepsgroeperingen, alsook een nauwgezette en billijke herschikking tussen arbeid en kapitaal zullen het mogelijk maken in de schoot van de ondernemingen de voorwaarden voor een gezonde samenwerking te vestigen. Door in de wereld van de arbeid een sfeer van stabiliteit en welzijn te scheppen, zal deze vooruitgang een geest van sociale solidariteit doen waaien die voor het land van even wezenlijk belang zal zijn als de verstandhouding en de gelijkheid tussen Vlamingen en Walen. Op het hogere niveau komt het de staat toe het algemeen belang te vertolken, de harmonische werking van het geheel van de grote beroepsgroepen te coördineren en de organisatie van de arbeid en van de sociale verhoudingen te controleren.

Het komt de Staat ook toe de economische ontwikkeling in een richting te leiden die meer is aangepast aan de natuurlijke rijkdommen van onze bodem en aan de mogelijkheden en de levensbehoeften van onze bevolking.

Het is van belang een beter evenwicht tot stand te brengen tussen de verschillende takken van de economische bedrijvigheid van het land door de landbouw, die zo belngrijk is voor ons onafhankelijk bestaan, de plaats te geven die haar toekomt.

Het is ten slotte aangewezen een billijkere verdeling van de verbruiksgoederen te verzekeren.

Arbeidsplicht, recht op arbeid en bescherming van de arbeid – herstel van de beroepseer en de beroepsbekwaamheid – nationale samenwerking en solidariteit – verstandige organisatie van de economie, ordelijke productie en consumptie – ziedaar de grondslagen van de onmiddellijke vernieuwing die een betere toekomst moet voorbereiden.

Ik reken erop dat de gezagsdragers die weg zullen inslaan en elke andere overweging dan het belang van het land en de sociale rechtvaardigheid opzij zullen schuiven.

Als ze dit zouden verzuimen, zou België tijden van gevaarlijke politieke onrust tegemoet gaan.

3. De politieke hervormingen

Zullen de wijzigingen aan de economische en sociale structuren een hervorming van de politieke instellingen teweegbrengen? Dat lijkt onvermijdelijk.

De gebreken van de oude manier van regeren en de ongehoorde incidentendie er in 1940 het sluitstuk van waren, hebben de ogen geopend van de meest behoudsgezinde kringen. Het land zal niet aanvaarden dat men zonder meer naar deze vooroorlogse dwalingen terugkeert. Het wenst dat de macht wordt uitgeoefend door onkreukbare en bekwame mensen, die ermee ophouden het algemeen belang in te vullen op de maat van de partijbelangen. Het wenst dat die mensen de nodige macht krijgen om met gezag en continuïteit de belangrijkste en dringende problemen op te lossen.

Een Raad van State had al lang moeten zijn opgericht. Koning Albert had de oprichting ervan al aanbevolen. Het land heeft nood aan wetten en verordeningen die behoorlijk zijn opgesteld. De burgers hebben het recht te worden beschermd tegen de mogelijke willekeur van een regering waarvan de machten uitgebreider zullen zijn.

De ministeriële verantwoordelijkheid moet ophouden een abstract beginsel te zijn dat nergens in een wetboek is vastgelegd. Ze moet een juridisch werkbaar begrip worden dat het mogelijk maakt de ministers te treffen wier zware fouten de belangen van de Staat hebben geschaad.

In welke mate en op welke wijze is het nodig het politiek statuut van het koninkrijk een nieuwe inhoud te geven?

Het komt het Belgische volk toe daarover te beslissen: zodra de omstandigheden het mogelijk maken, kan het zich daarover vrij uitspreken.

4. De hervorming van de opvoeding

Ik pleit ervoor bijzondere aandacht te besteden aan de jeugd, die het lot van het België van morgen in handen houdt.

Indien het land in 1940 zijn geloof in zijn lotsbestemming tijdelijk heeft verloren, dan is dat te wijten aan het feit dat onze kinderen onvoldoende tot burgerzin worden opgevoed, wat een schuldig verzuim is. De toekomst van de natie vereist dat onze jeugd fysiek sterk is, doordrongen van edele verzuchtingen en grootmoedige idealen, gedreven door persoonlijke fierheid en sociale solidariteit, in hart en nieren en vastberaden patriottisch. Op dat vlak staan we nog bijna nergens.

5. De militaire reorganisatie

Het einde van de vijandelijkheden zou een gezagscrisis kunnen veroorzaken die weleens de vorm van geweldplegingen kan aannemen. Bij gebrek aan een gewapende macht – die op een wettelijke basis is gevormd en bestaat uit manschappen wier vanderlandsliefde buiten kijf staat en die zijn gespeend van elke partijdige passie – zou het moeilijk zijn om die te beteugelen.

Om redenen van orde en rust in het binnenland en aanzien in het buitenland, beveel ik aan zo spoedig mogelijk weer een Belgisch leger op de been te brengen, bestaande uit sterke beroepsmilitairen, aangevuld met vrijwilligers, bij voorkeur mannen die in het vuur van de strijd hebben gestaan. Met het oog daarop zullen we de onmiddelijke repatriëring moeten eisen van onze officieren en soldaten die in Duitsland gevangen zijn en van al wie zich nog in het buitenland bevindt.

6. De ordehandhaving en de sancties

Men moet vrezen dat het einde van de vijandelijkheden gepaard zal gaan met de ontketening van een publieke vergelding en het uitvechten van talrijke persoonlijke en groepsvetes. De voorlopige machthebbers zullen de uitingen van de publiek opinie binnen de legale perken moeten houden. Ze zullen evenwel ook de sancties moeten vorderen en toepassen in hoofde van de verantwoordelijken van aanslagen tegen de verdediging en de eenheid van het land.

De daders van deze misdaden tegen de natie hebebn hun verraad voldoende van de daken geschreeuwd, ja zelfs gevierd, opdat de noodzakelijke repressie alleen de werkelijke en grote schuldigen zou treffen.

Het past dat de straffen zonder uitstel worden uitgesproken en uitgevoerd, maar volgens de normale rechtspleging.

7. De noodzakelijke genoegdoening

Er is geen enkele patriot die sommige toespraken is vergeten die ten overstaan van de hele wereld werden uitgesproken en waarin Belgische ministers zich hebben veroorloofd, in uitzonderlijke hachelijke omstandigheden, toen de vrijwaring van de nationale waardigheid gebood een uiterste voorzichtigheid aan de dag te leggen, ondoordacht de meest ernstige beschuldigingen te uiten ten overstaan van de houding van ons leger en het optreden van de legeraanvoerder.

Die beschuldigingen die in een eigenzinnige verblindheid de eer van onze soldaten en van hun opperbevelhebber besmeurden, hebben België een onberekenbare en moeilijk te herstellen schade toegebracht.

Men zou vergeefs in de geschiedenis een ander voorbeeld zoeken van een regering die haar vorst en de nationale vlag op zo’n manier en zo ongegrond met schande heeft overladen.

Het aanzien van de kroon en de eer van het land verzetten zich ertegen dat degenen die de redevoeringen hebben gehouden nog enig gezag uitoefenen in het bevrijde België zolang ze hun beslissing niet zullen hebben betreurd en plechtig en volledige genoegdoening zullen hebben gegeven. De natie zou noch begrijpen noch ermee instemmen dat het vorstenhuis in de uitoefening van zijn taak mensen zou betrekken die datzelfde huis een belediging hebben aangedaan waarvan de wereld met ontsteltenis kennisnam

8. De buitenlandse en koloniale politiek

Inzake het internationale statuut eis ik in naam van de grondwet dat België in zijn volledige onafhankelijkheid zou worden hersteld en dat het geen verbintenissen of akkoorden met andere staten zou aanvaarden, van welke aard ook, dan in volledige soevereiniteit en mits de noodzakelijke tegenprestaties.

Ik houd er ook aan dat geen afbreuk wordt gedaan aan de banden tussen de kolonie en het moederland.

Ik herriner er bovendien aan dat volgens de grondwet een verdrag geen enkele waarde heeft indien het niet de koninklijke handtekening draagt.

Leopold,

Koning der Belgen,

gevangene in het kasteel van Laken
NEC JACTANTIA NEC METU ("zonder woorden, zonder vrees")

Avatar: Francesco Baracca, Italiaanse aas uit Wereldoorlog I

2013:Canadian Citizen’s Memorial Campaign in Sicily.
User avatar
Francesco Baracca
Generaal
Generaal
 
Posts: 254
Joined: 09.2009
Location: Laarne
Gender: Male


Who is online

Users browsing this forum: No registered users and 1 guest

cron